Notities over de Geschiedenis van de Oude Religie

Wiccan Rede * Autumn 1985 by Kees Poek

Een van de geliefkoosde theorieën van het neo-paganisme is dat de Craft, of Wicca, een voortzetting vormt van de middeleeuwse heksen;  dat de heksen een voortzetting vormen van de heidense godsdiensten van vóór het Christendom, en dat deze heidense religies teruggaan tot ver in de prehistorie. Over de eerste twee onderdelen van deze theorie is al veel geschreven, zowel voor als tegen. Ik wilde het hier vooral hebben over het derde punt: hoe ver kunnen we het spoor terug volgen, of hoe oud is The Old Religion?

Onder de oudste artistieke voortbrengselen van de mensheid vinden we beeldjes van vrouwen, vaak nogal gezet, en meestal naakt voorgesteld. Omdat sommige van deze afbeeldingen zijn gevonden op de plaatsen die een rituele betekenis lijken te hebben ligt het voor de hand om aan te nemen dat het hier gaat om een godin – een moedergodin of een godin van de vruchtbaarheid. Joseph Campbell (1) duidt haar aan als Our Lady of the Mammoth – Onze Vrouwe van de Mammoet. Men heeft haar ook vaak gezien als de oudste verschijningsvorm van de grote godinnen uit latere tijden: Ishtar of Astarte, Venus of Aphrodite, de maagd Maria en de Drievoudige Godin uit onze eigen traditie.

De verering van een godin is een belangrijke overeenkomst, in de zin dat het wijst op een gemeenschappelijke belevings- en voorstellingswereld. Het is erchter geen sluitend bewijs van een historische samenhang.

Overal ter wereld hebben mensen moeders gehad. Het is dus niet ondenkbaar dat verschillende volkeren en stammen in verschillende tijden onafhankelijk van elkaar begonnen zijn de Moeder te zien als een symbool van het grote geheel waarvan alle mensen, dieren en dingen de kinderen zijn. Om een historische samenhang aannemelijk te maken zouden we meer overeenkomsten moeten vinden, en liefst een samenhangend patroon van overeenkomsten.

Een patroon dat in verschillende oude godsdiensten terugkomt is de kombinatie van een godin, die verbonden wordt met een leeuw of een ander katachtig roodier, en een god, die verschijnt als een stier, een ram of een ander dier met horens. In de Babylonisch- Sumerische kunst worden de goden steeds voorgesteld met een hoofdtooi waarin met gestyleerde stierehorens heeft willen herkennen, en de grote goding Ishtar rijdt in een wagen getrokken door zeven leeuwen. In Syrië, Phoeicië en Palestina werden de belangrijkste godinnen, ‘Anat, ‘Astarte en Qadesh, eveneens vaak afgebeeld met leeuwen. De goden, Baál, El en Hadad, rijden vaak op een stier.

In Egypte vinden we iets van hetzelfde patroon. De god Ptah, de schepper en de god van Memphis, werd vereerd in de vorm van de stier Apis, en zijn echtgenote, de godin Sechmet, wordt afgebeeld als een leeuwin. De god Osiris wordt soms aangeduid als ‘de Stier van het Westen’, en een van zijn verschijningsvormen was de stier Mnevis. Verschillende belangrijke goden worden voorgesteld als rammen: Atum, Ammon, Chnum; en verschillende godinnen verschijnen als leeuwen en katten: Tefnet, Bastet en anderen.

In Klein Azië, het tegenwoordige Turkije, vereerden verschillende volkeren de grote godin Kubele, Kubaba of Kubebe ( de klassieke Cybele), die vaak afgebeeld wordt op een troon met twee leeuwen. Haar geliefde Attis wordt in de mythologie voorgesteld als een herder. Hetzelfde geld voor Adonis, de geliefde van de Syrische Grote Godin, en voor Tammuz of Dumuzi, de geliefde van Ishtar of Inanna. Op Kreta was de stier de voornaamste verschijningsvorm van de god, en in de klassieke mythologie wordt de stier verbonden met Zeus, Poseidon en Dionysus.

Op oude afbeeldingen vinden we een godin tussen twee leeuwen, een oudere vorm van de latere Artemis. Verder is de leeuw het dier van Rhea, de moeder van Zeus en andere Olympische goden.

In India is de stier het symbool en het rijdier van de god Shiva. Zijn gemalin, bekend als Deví, of Pávatí, of Umá, of Durgá, of Kálí, wordt voorgesteld als rijdend op een leeuw, of op een tijger.

Al in de tijd van de Indus-beschaving, de tijd van de steden Mohenjo-Daro en Harappa (rond 2000 v.Chr.) bestonden er afbeeldingen van een godin en een gehoornde god, en stieren en tijgers komen regelmatig voor op zegels.

In Europa, in de Keltische en Germaanse mythologie, vinden we sporen van hetzelfde patroon. De Keltische god Cernunnos wordt voorgesteld met de horens van een hert. De Germaanse god Thor of Donar rijdt op een bokkewagen, en helmen met horens hadden bij de oude Germanen waarschijnlijk ook een rituele betekenis. De godin Freya rijdt op een wagen getrokken door lynxen – de leeuw kwam in Europa niet voor, en de lynx was de grootste kat in ons werelddeel. In de middeleeuwen werden heksen regelmatig geassocieerd met katten, en de duivel verscheen als een bok.

In hetzelfde gebied vinden we de voorstelling dat de God sterft en herleeeft. De Godin is het eeuweige en onveranderelijke aspekt van de natuur, de God is het leven dat steeds geboren wordt en sterft. Dit is het duidelijkst in de oude godsdiensten van Klein-Azië en Syrië± Cybele en Attis, Venus en Adonis. Een bekende Babylonische mythe vertelt hoe Ishtar naar de onderwereld afdaalt om haar gestorven geliefde Tammuz terug te halen (hoewel de oudste vormen van het verhaal iets anders luiden’.

In Egypte is Osiris de voornaamste god die sterft en toch voortleeft, als rechter in het dodenrijk en in de vorm van zijn zoon Horus.

In de Indische mythologie wordt Shiva soms voorgesteld als lijk.

Hij is ook de Vernietiger van deze wereld, naast Brahmá de Schepper, en Vishnu de Onderhouder. Verder is Shiva de god van meditatie en yoga – van de bewustzijntoestanden van de mens die afstand genomen heeft van deze wereld. Dit doet me denken aan ´death and what lies beyond´ zoals Gardner het uitdrukt (2).

In de Scandinavische mythologie vinden we de opmerking dat Freya gehuwd was met de god Od, en dat ze vele tranen vergoot toen hij verdween. Wie Od was is verder niet bekend: de overgeleverde Germaanse mythologie bestaat vooral uit de verhalen die bij de adel en de krijgslieden in de smaak vielen, en geeft niet altijd een volledig beeld van wat de rest van de bevolking geloofde. In de oude Duitse toverspreuken komt de naam Wod voor. De namen Od en Wod lijken op die van Odin en Wodan, maar ze lijken toch niet helemaal dezelfde persoon aan te duiden. (In de Gelderse Vallei beweerde men vroeger dat je een heks kon dwingen een betovering ongedaan te maken door haar te laten zeggen: ´God zegen je`. Heksen hadden de neiging om deze spreuk te verdraaien, ze zeiden iets als ´Od zegen je´. Dit werd als een bewijs van kwaadwilligheid opgevat: een verdraaide zegen heeft geen kracht. Maar we zouden ons af kunnen vragen of deze heksen misschien niet probeerden een oprecht bedoelde zegen uit te spreken, met de naam van hun eigen god. Misschien een idee als we een Nederlandse equivalent willen hebben voor `Blessed Be`. (3))

We hebben dus een duidelijk patroon dat in een groot gebied terugkomt.

De Godin = de leeuw, de lynx, de tijger, de kat = de natuur, de aarde, de moeder van alle leven.

De God = de stier, de bok, het hert = het leven dat geboren wordt en sterft, en dat op geheimzinnige wijze toch voortbestaat en opnieuw geboren wordt.

Het patroon lijkt al heel oud te zijn. Ik vermoed dat het minstens teruggaat tot de tijd van de eerste landbouwers, en dat het zich met de landbouw over een groot deel van de oude wereld verbreid heeft. Hierbij paste het zich natuurlijk aan aan plaatselijke opvattingen en omstandigheden, en het werd ten dele door latere ontwikkelingen overdekt. Maar het patroon is taai, en het komt steeds weer terug.

Ons patroon wordt voor het eerst herkenbaar in Çatal Hüyük , een voorhistorische nederzetting in het tegenwoordige Turkije, die in de jaren ´60 gedeeltelijk is opgegraven door J. Mellaart (4). Het was een vrij groot dorp, bijna een stad, van lemen huizen met platte daken, die dicht tegen elkar aan gebouwd waren. De ingangen van de woningen waren steeds in het dak, en de daken moeten dus ook als weg dienst gedaan hebben.

De bewoners leefden van de jacht en landbouw, er zijn sporen van verschillende soorten granen gevonden.

De oudste gedeelten van de nederzetting dateerden van iets vóór 7000 v.Chr., en de plaats was bewoond tot omstreeks 5700 v.Chr.

In Çatal Hüyük zijn  enkele tientallen tempels gevonden. Het gaat om vrij grote vertrekken (tot 5 bij 6 meter) die duidelijk een religieuze betekenis hadden. De voornaamste symbolen zijn afbeeldingen van een godin, en stierekoppen, deze laatste vaak voorzien van echte horens, meestal van formidabele omvang.

Stierehorens komen ook voor als versiering van banken en lage vierkante pilaren. De muren waren gewit, en soms voorzien van schilderingen.

De indruk bestaat dat deze schilderingen gemaakt werder voor bepaalde plechtigheden, en dat ze vervolgens meteen weer weggewit werden.

De inrichting van deze tempels verchilt, maar er zijn een aantal overeenkomsten. De ingang is, net als bij de meeste huizen, aan de zuidkant, via een ladder naar het dak. Aan deze kant is ook een vuurplaats. Aan deze kant is ook een vuurplaats. Aan de westelijke wand vinden we vaak een gestyleerde afbeelding van de Godin. Ze wordt afgebeeld met gespreide benen, terwijl onder haar schoot de kop van een ram of een stier zichtbaar is. Dit lijkt een geboortescène: de Godin die de God ter wereld brengt.

Het gezicht van de Godin is niet duidelijk weergegeven, maar op sommige afbeeldingen heeft zij puntige oren. In kleinere beeldjes wordt zij vaak voorgesteld met een panter, zittende tussen twee panters of met een jonge panter aan haar borst. Dergelijke beeldjes zijn ook op andere plaatsen in Turkije gevonden, onder andere in Hacilar. De panter was het grootste katachtige roofdier in deze streken, en de verbinding van de Godin en de kat is duidelijk aanwezig.

De oostelijke wand van de tempel wordt meestal gedomineerd door een monumentale stierekop, of door een aantal stierekop, of door een aantal stierekoppen. Deze kant is kennelijk aan de God gewijd. De afbeeldingen van de Noordwand wisselen. In sommige tempels vinden we ook hier afbeeldingen van stieren )gestyleerd en in zij-aanzicht). In één tempel bevinden zich hier afbeeldingen van twee panters tegenover elkaar. In een oude tempel zijn in deze wand twee dierekoppen ingekrast: een stier en een leeuw of een panter.

In de wanden van de tempels zijn soms diepe nissen aanwezig, meestal in de oostelijke en de westelijke wand. Soms waren in deze nissen stukken druipsteen aanwezig, en Mellaart vermoedt dat het symbolische voorstellingen zijn van grotten of bronnen. In de later mythologie van Klein Azië bestond de voorstelling dat de God van de vruchtbaarheid in een gat in de grond woonde – een bron, een grot of de ingang van de onderwereld.

Verder vinden we aan de wanden vaak afbeeldgingen van vrouweborsten, die steeds over botten van dieren geboetseerd zijn. In één tempel zijn er aan de oostelijke wand, onder drie grote stierekoppen, dertien bosten die gemodelleerd zijn over kaken van zijnen. Het zwijn is een symbool van de dood: Adonis werd gedood door een everzijn, en ook in de Griekse mythologie komen helden soms op deze manier aan hun eind.

De gedachte schijnt te zijn dat de dood het leven voedt – een idee dat voor een volk dat voor een groot deel van de jacht leefde niet zo vreemd kan zijn.

De noordeljike en oostelijke wand hebben ook associaties met de dood.

In één tempel vinden we in deze hoek een schilderij van zeven gieren die zes menselijke lichamen aanvallen (meer toespelingen op het getal dertien heb ik in de opgravingsverslagen overigens niet gevonden). Misschien werden de doden inderdaad voor de gieren geworpen.

Hun beenderen werden later verzameld en in de huizen of tempels begraven. De graven van mannen zijn meestal onder een lemen verhoging in de noord-oostelijke hoek, die ook als bank of bed dienst deed.

Vrouwen en kinderen werden begraven onder een bank langs de oostelijke wand. Graven in de tempels bevatten meestal de beenderen van vrouwen of kinderen – dit kan er op wijzen dat de vrouw in deze godsdienst een leidende funktie had.

In de graven werden vaak wapens en sieraden meegegeven. Het is misschien van belang om op te merken dat kralenkettingen vrijwel alleen in graven van vrouwen voorkomen: Gardner vermeldt de ketting als een symbool van de Godin. Verder komen in graven de tempels soms spiegels voor van obsidiaan, een donker glasachtig gesteente. Het is mogelijk dat deze speigels een kosmetische funktie hadden, maar we weten dat de magische spiegels nog altijd van zwart glas gemaakt worden. Misschien hadden de spiegels van Çatal Hüyük ook deze funktie.

Een belangrijk thema in deze oude religie is de samenhang van dood en leven. De dood voedt het leven. De leeuw en de panter zijn gevaarlijke dieren, maar ze zijn ook het symbool van de Godin die het leven voortbrengt. Een klein maar indrukwekkend beeldje uit Çatal Hüyük vat deze gedachte heel duidelijk samen: het stelt de Godin voor, zittend tussen twee luipaarden, op het moment dat zij een kind ter wereld brengt. Haar rechter voet steunt op een menselijke schedel. Dood en leven zijn onverbrekenlijk met elkaar verbonden.

Een dergelijke Godin is niet voor alle mensen even geruststellend:we zouden willen leven en nooit willen sterven, dood en leven lijken onverzoenlijke tegendelen. Misschien is hethierom dat in de latere Babylonische mythologie de Godin uiteenvalt in verschillende personen.

Ishtar is de godin van de liefde en het leven, haar oudere zuster Ereshkigal is de godin van de dood.

Een bekend verhaal vertelt hoe Ishtar afdaalt naar de onderwereld. Bij elk van de zeven poorten moet zij een sieraad of kledingstuk afleggen, zodat ze tenslotte naakt en hulpeloos tegen Ereshkigal staat.

Deze slaat haar met alle ziekten, enhoudt haar gevangen, zodat alle leven op aarde gevaar loopt. Alleen door het ingrijpen van de grote goden kan de situatie gered worden: de god Ea maakt een geslachtloos wezen, de eunuch Asushunamir, die de godin van de dood zo bevalt dat ze zich laat overhalen om Ishtar vrij te laten.

In de Griekse mythologie vinden we ook twee godinnen die leven en dood voorstellen, maar hun verhouding is heel anders. Dementer is Moeder Aarde, en de godin van het koren. Haar dochter, Persephone of Kore, wordt door Hades geroofd, en is de godin van de onderwerd. Demeter en Kore waren ook de godinnen die vereerd werden in de mysteriën van Eleusis. Ook van deze plechtigheden lijkt het wezenlijke element geweest te zijn dat dood en leven bij elkaar horen, en dat de dood voor de mens niet het einde is.

Ik vermoed dat de mythe van Ishtar en Ereshkigal oorspronkelijk iets dergelijke betekend heeft. Later, toen de meeste mensen deze samenhang niet meer konden aanvoelen, veranderde het verhaal, en werden Ishtar en Ereshkigal onverzoenlijke tegenstanders. In de Babylonische mythologie vinden we meer sporen van de opvatting dat de dood een kwaad  is, waar de mens niet aan ontkomt. De held Gilgamesh zoekt wanhopig naar het kruid van het eeuwig leven, maar als hij het in zijn hand heeft wordt het door een slang weer gestolen. De slang werpt zijn huid af en wordt weer jong, maar de mens wordt oud en sterft en is voorgoed voorbij.

In andere delen van de wereld bleef de samenhang van dood en leven voelbaar: het is dezelfde Godin die alle leven voortbrengt en alle doden ontvangt. In Egypte werden de doden gebalsemd, volgens hetzelfde ritueel waarmee Isis de dode Osiris weer tot leven bracht. In India zijn de lieftallige Pávatí en de dreigende Kálí twee gezichten van dezelfde Godin. `Voor wie geboren is staat de dood vast, en voor wei gestorven is de geboorte´ zegt Krishna in de Bhagavad Gita (5).

In de Germaanse mythologie is Freya niet alleen de godin van liefde en vruchtbaarheid, maar ook de godin van de dood. We denken in dit verband natuurlijk ook aan de mythe die Gardner vermeldt, hoe de Godin naar het land van de dood gaat, en hoe Dood en Leven elkaars geliefden worden (6).

Het is misschien niet toevallig dat de mythe van Ishtar en de onderwereld, en het verhaal van Gilgamesh zoals wij ze kennen pas zijn opgeschreven in de periode tussen 2000 en 1750 v.Chr.  toen de oudere Mesopotamische cultuur onder invloed gekomen was van volkeren die van buiten het gebied kwamen, de Akkadiërs en de Guti. Misscien hebben de verhalen deze vorm pas gekregen in een tijd waarin mannelijke goden en  helden meer op de voorgrond traden, en waarin de zelfbewuste mens er geen genoegen meer mee nam om mee te draaien in een cirkel van de Godin.

Ook in het oude Egypte was er rond 2000 v.Chr. een periode waarin de dood een probleem werd. Joseph Campbell spreekt in dit verband van The Great Reversal. De dood is niet langer een voortzetting van het wonder van het leven (7).

(Wordt vervolgd)

Literatuurverwijzingen.

  1. J. Campbell: The Masks of God, deel 1, blz. 313 (Secker & Warburg 1959).
  2. G. Gardner: Witchcraft Today (Arrow books, 1970)
  3. D. Kramer e.a.: Nederlandse Volkskunde: Gelderland. Blz. 84 (Noord-Hoff, 1931)
  4. J. Mellaart: Excavations at Çatal Hüyük, first to fourh preliminary report. Anatolian Studies, 1962, blz. 41-65, 1963 blz. 43-103, 1964 blz. 39-119, 1966 blz. 165-191.
  5. Bhagavad Gita, 2:27
  6. G.Gardner: op cit. blz 45-46
  7. J. Campbell: The Masks of God, deel, blz. 36, 139 (Secker & Warburg, 1962)