Sporen van de Oude religie in de Nederlandse taal

Wiccan Rede * Autumn 1987 by Kees Poek

Een taal vormt een vrij nauwkeurige afspiegeling van de wereld van haar sprekers. Mensen vinden manieren om te praten over alle dingen die voor hen van belang zijn. En omdat woorden en uitdrukkingen soms blijven bestaan lang nadat de oorspronkelijke situaties verdwenen zijn kan de taal ons soms ook iets over de gedachtenwereld van de vroegere generaties vertellen. Het Nederlands kent een aantal woorden en uitdrukkingen die samenhangen met het vroeger algemene geloof in heksen, en die ten dele ook wijzen op specifieke gebruiken en handelingen.

Om te beginnen kennen we samenstellingen als heksenkring, paddestoelen die in een cirkel groeien; heksenbezem, een bepaald soort vergroeiing van een boomtak; of heksenketel, iets wat chaotisch in beweging is. Dergelijke uitdrukkingen zijn natuurlijk overdrachtelijk bedoeld (hoewel sommige mensen de heksenkring misschien ook wel letterlijk opgevat hebben). Beeldspraak kan alleen maar ontstaan en gangbaar worden wanneer er een algemeen bekend beeld is. De genoemde uitdrukkingen wijzen op een tijd toen iedereen wist dat heksen in een cirkel werkten en iets met bezems en ketels uitvoerden. Tegenwoordig weten we dit alleen nog uit sprookjes voor kleine kinderen, maar vroeger nam men heksen heel wat serieuzer.

Er hebben meer van dergelijke uitdrukkingen bestaan. Een heksenkater is een wat verouderde uitdrukking voor het trillen van de lucht in de verte op een warme dag. Een heksenknoop was in de vorige eeuwe een puzzel waarbij je uit zes latjes een soort driedimensionaal kruis in elkaar moest zetten. Maar het was vroeger ook heel wat bekender dan nu dat heksen een bezwering konden vastleggen door middel van een knoop in een stuk touw. Ik vraag me af of de term ‘oudewijvenknoop’ hier ook iets mee te maken heeft.

Het is een bekende veronderstelling dat de goden uit de heidense tijd in het Christendom opgevat werden als duivels, en dat met name de Gehoornde God van de heksen model heeft gestaan voor een aantal populaire opvattingen over de duivel. We hebben nog altijd de uitdrukking “te dom (ook wel: te lelijk) om voor de duvel te dansen”. Een dergelijke uitdrukking kan alleen onstaan zijn in een tijd waarin iedereen wist dat er af en toe in het geheim feesten voor de heidense godheid gevierd werden. We kunnen er ook uit afleiden dat zulke feesten vooral bij de minder ontwikkelde lagen van de bevolking gevierd werden: als je zelfs dáár te dom voor was moest het wel heel erg met je gesteld zijn!

Verder kunnen we uit de zegswijze afleiden dan dansen een belangrijk onderdeel van deze geheime plechtigheden uitmaakte- precies wat we uit de overlevering van de heksen ook al wisten. Misschien heeft dit ook iets te maken met de bezwaren van het strengere Reformatorische Christendom tegen de dans. Als je de bijbel leest zou je een voorbeeld kunnen nemen aan koning David die danste voor de Ark. Koningin Michal die hem hierom berispte, bleef kinderloos tot op de dag van haar dood toe (II Samuel 6). Maar de tijd van de Reformatie was ook de tijd van de zwaarste heksenvervolging, dus waarschijnlijk een periode waarin de Oude Religie vrij aktief was. Dus de dans was van de duivel, en moest zoveel mogelijk verdacht gemaakt worden.

Als het ‘s zomers regent en de zon schijnt zegt men wel eens: “De duvel slaat zijn wijf”. Een andere uitdrukking is: “het is kermis in de hel”, wat op hetzelfde neerkomt, want kermis is een spottende aanduiding van een echtelijke ruzie. Dezelfde uitdrukking bestaat in het Frans en het Duits: “le diable bat sa femme”, respectievelijk “Der Teufel schlägt seine Mutter (Grossmutter)”. Dit is een merkwaardige zaak: de duivel is in zekere zin nog wel een bijbelse persoonlijkheid, maar een vrouw, moeder of grootmoeder van de duivel is in de Joods-Christelijke traditie nergens te vinden. Toch horen we in het Nederlands soms de zinswending “de duvel en zijn ouwe moer (=moeder).” (Zie ook verschillende sprookjes van Grimm waar de duivel een moeder of grootmoeder heeft -Ed.)

Maar in heidense tijden vereerde men de Grote Godin als moeder van alle leven, en moeder van de goden. De Gehoornde God (die de Christenen later de duivel noemden) is de vertegenwoordiger van het leven, en verschijnt afhankelijk van de tijd van het jaar als haar kind, haar geliefde, haar echtgenoot en als de gestorven heerser van het dodenrijk. Hierom kon men de godin later wat spottend aanduiden als de vrouw of moeder of grootmoeder van de duivel, en zo is ze in ons taalgebruik blijven voortleven.

Waarom sloef de duivel zijn vrouw? Ik denk dat deze uitdrukking niet in de eerste plaats ontstaan is om zijn karakter in een kwaad daglicht te stellen. Er waren vroeger dingen waar men heel wat zwaarder aan tilde. Het gaat waarschijnlijk eerder om een toespeling op de een of andere mythologische (of rituele) gebeurtenis, iets wat toen de uitdrukking ontstond aan iedereen bekend was maar wat wij ondertussen vergeten zijn. Voor zover ik weet is de enige Westeuropese mythe waarin een godin door een god geslagen wordt het verhaal van de tocht van de Godin naar de onderwereld, zoals dat door Gerald Gardner en andere schrijvers over de Wicca is overgeleverd. De Godin daalt af naar het dodenrijk, en stelt de God in zijn rol als Heer van de Dood de vraag waarom alle dingen moeten sterven. Hij vraagt haar om te blijven, en als ze weigert, slaat Hij haar. “and Death scourged her tenderly. And she cried:” I know the pangs of love.” And Death raised her and said: “Blessed Be”. And he taught her all his mysteries, and gave her the necklace which is the circle of rebirth…” (S. Farrar)

De gedachtensprong van slaan naar liefde ligt in the feit dat een niet al te hard uitgevoerde geseling vroeger een vruchtbaarheidsritueel was. De Dood wilde de Godin straffen, maar wat hij in feite doet is het verwekken van nieuw leven. Dood en leven vormen een complete cirkel, waarin uiteindelijk niets verloren gaat. Voor de betekenis van de geseling als vruchtbaarheidsritueel verwijs ik naar Doreen Valiente (p. 137 tot 142). Zonder deze achtergrond wordt het verhaal van de God en Godin moeilijk te begrijpen, en sommige tradities laten de geseling weg uit hun versie van de mythe.  Het is natuurlijk altijd mogelijk om hetzelfde mysterie uit te drukken in andere beelden. Het is nog niet helemaal duidelijk waarom men de combinatie van zonneschijn en regen (of onweer) met deze mythologische ontmoeting van de God en Godin in verband bracht. Misschien zag men er iets in van een ontmoeting der tegendelen; de zon en regen zijn in ieder geval de twee faktoren die voor de vruchtbaarheid van het land van het grootste belang zijn. Misschien heeft het ook iets te maken met het feit dat in de Germaanse talen de zon altijd vrouwelijk is (Duits: die Sonne), terwijl in de Germaanse mythologie de dondergod een van de voornaamste verschijningsvormen van de Gehoornde God was.

De goden uit de heidense tijd werden later niet alleen tot duivels, ze werden soms ook aangesteld als kinderoppas. In Zuid-Holland (en misschien ook op andere plaatsen) werden sloten en vaarten bewoond door de Bullebak, die onvoorzichtige kinderen onder water trekt en verdrinkt. Althans, toen ik een jaar of zes was, is mij dit in grote ernst verteld.  Verder is bullebak een gangbare aanduiding voor een grof en lomp manspersoon.

Etymologische woordenboeken brengen de term in verband met het middelnederduitse bullerbäck, en het middelengelse barlibak, “boze geest”, en verder met het werkwoord bulderen. Als dit zo is zijn er in de loop van de tijd een paar klanken weggewerkt. Nu komt het in een taal regelmatig voor dat minder bekende woorden die geen duidelijke betekenis hebben worden aangepast zodat het begrijpelijke samenstellingen of afleidingen van bekende woorden worden. Het indiaanse woord ‘hamaca’ werd in het Nederlands omgevormd tot ‘hangmat’, wat een heel begrijpelijke samenstelling lijkt, of is. Het kan dus zinnig zijn om ook het woord Bullebak niet alleen etymologisch en historisch te bekijken, maar ook als een samenstelling van min of meer Nederlandse woorden.

Bul, of bolle, is nog altijd een gangbare term voor ‘stier’ (vooral in het oosten van ons land), en bak is een wat verouderd woord voor ‘wang, gezicht’. Denk aan woorden als bakkebaard, kinnebak, bakkes, mombakkes. Bullebak betekent dus zoiets als ‘stierekop’, of het is een vervorming van een oudere naam die als ‘stierekop’ geïnterpreteerd werd.

Margaret Murray stelt dat de Gehoornde God bij plechtigheden van de heksen vaak werd voorgesteld door een man met een masker van een bok, een hert of een stier. Was Bullebak oorspronkelijk een aanduiding van deze gemaskerde of anderszins als stier vermomde figuur?

In Zeeland en Vlaanderen is het woord bul onbekend, maar daar worden de wateren onveilig gemaakt door de Ossaart (ook Osgaard, Oschaart, e.d.), een naam die samen lijkt te hangen met het woord os. De ossaart verschijnt in verschillende gedaanten, onder andere als stier met een mensenhoofd, en één van zijn verblijfplaatsen is de Stierkreek tussen Sluis en Heille (Zeeuws-Vlaanderem). Vissers doen er goed aan hun eerste vis in het water terug te gooien voor de Ossaart, want anders lopen ze de kans dat ze verder de hele dag niets vangen.

In het Engelse graafschap Dorset werd tot in het begin van deze eeuw een oud houten masker bewaard dat een woest mannengezicht met stierehoorns voorstelde, en dat bekend stond als de Ooser (zie Bord and Bord, blz. 210-211). Het is sindsdien verdwenen, en het is niet bekend hoe het verder gebruikt werd, maar de naam doet wel wat aan Ossaart denken. In de tijd van de grote volksverhuizing waren het vooral de Jutten, de Angelen en de Saksen die naar Engeland overstaken, maar er namen ook enkele Frankische groepen aan de landverhuizing deel, dus mensen uit de zuidelijke Nederlanden. Zij vestigden zich vooral in zuidwest Engeland (Devon, Somerset, Dorset) en de dialecten die daar gesproken worden vertonen nog altijd bepaalde Frankische eigenaardigheden.  (Je zou je af kunnen vragen of ook de Boeman, waar kinderen soms bang mee gemaakt worden, oorspronkelijk een toespeling is op de man met het stieremasker uit de een of andere heidense ceremonie. Maar er zijn ook vormen als Boezeman, Boezehappert, die aantonen dat Boeman waarschijnlijk een laeter vervorming is. Oschaart heeft voor zover na te gaan is, ook niet te maken met de naam Oscar. Dit is een afleiding van het oudgermaanse Asgar, Ansgar: door de Goden beschermde strijder met de speer).

In sommige oude Nederlandse sprookjes komen we een zekere Anneke Tanneke Toverheks tegen, een naam met een mooi ritme en waarschijnlijk een oude geschiedenis. In de Ierse mythologie is Anu of Danu de grote moedergodin. De oude goden van Ierland, de Aes Sídhe, staan ook bekend als de Tuatha Dé Danann, de volkeren van de Godin Danu (Dé in deze naam heeft niets met het Franse voorzetsel de te maken; het is de tweede naamval van het Ierse woord Dia: God, Godin; Dannan is de tweede naamval van Danu).

In de mythologie van het Middden Oosten (Syrië, Libanon, Palestina, Carthago) vinden we de godinnen ‘Anat en Tanit, die vooral de Godin in haar jonge en strijdvaardige aspekt vertegenwoordigen. De t op het einde van deze namen (ook wel als th gespeld) is de gangbare Semitische uitgang voor vrouwelijke woorden en eigennamen.

Het lijkt iets te veel van het toeval gevraagd om aan te nemen dat drie paar namen die zo op elkaar lijken onafhankelijk van elkaar onstaan zouden zijn. Van de Wall Perné vertelt een legende van een hooghartige jonkvrouw die zichzelf zo fijngevoelig vond dat ze haar voeten niet op aarde wilde zetten. Elke zondag moest er een dikke witte loper uitgerold worden van het kasteel naar de kerk. Op een dag stond Anneke Tanneke Toverheks bij de ingang van het kerkhof om haar te waarschuwen. “Jonkvrouw, jonkvrouw,” zei ze, “je wilt je voeten niet op de grond zetten, maar je zult er toch een keer onder moeten liggen. Bezondig je niet, bezondig je niet!”

De waarschuwing hielp niet. De volgende zondag moest er een nieuwe loper klaar zijn, nog veel mooier, met rode randen. Maar toen de jonkvrouw later stierf kon ze geen rust vinden. Elke morgens stond haar kist weer naast het graf, tot de mensen hem tenslotte in de rivier gooiden, en daar spookt haar geest nu nog rond. De moraal is denk ik duidelijk. Anneke Tanneke Toverheks is nog altijd een verschijningsvorm van de oude Godin van de aarde, uit wie alle leven voortkomt en tot wie alle leven terugkeert. Wie het contact met haar verliest vindt nergens geluk of rust.

Literatuur

  • J. de Vries en F. De Tollenaere: Etymologisch woordenboek. Prisma 1983
  • S. Farrar: What Witches Do. (2nd Edition) Washington 1983
  • D. Valiente: An ABC of Witchcraft Past and Present. London 1984
  • M. Murray: The Witch Cult in Western Europe. 1921
  • K. ter Laan: Nedrelandse Overlevering (Deel I). Zutphen 1932
  • J. Bord and C. Bord: Earth Rites. London 1983
  • G. van der Wall Perné: Veluwse Sagen (deel II). Amsterdam 1917